Simon Carmiggelt schreef ooit over een meisje van vijf dat haar schoen had gezet voor de haard. ‘Kom eens gauw helpen!’ riep haar vader even later voor de grap, ‘Ik heb Sinterklaas bij zijn been!’ De vader stond bij het vuur, uit alle macht trekkend aan een laars die uit de schouw kwam. Hij tuimelde achterover met een hoge laars in zijn hand. ‘Sint is me ontsnapt,’ hijgde vader, ‘maar zijn laars heb ik!’

Het kind liep verschrikt naar moeder. Die luisterde naar het verhaal en zei: ‘Wees maar niet bang, papa maakte maar een grapje; de echte Sinterklaas is allang dood.’ Het was heel wat voor dat kind om te horen. ‘En de ooievaar?’ vroeg het kind. ‘Dat is ook maar een grapje,’ zei moeder, die in één moeite door schoon schip wilde maken. ‘De ooievaar brengt de kinderen niet. Je komt gewoon van mij.’ ‘O’, zei het meisje, toen ze van haar moeder een nachtzoen kreeg op haar peinzend gezicht.‘Maar mama’, vroeg het meisje. ‘Ja?’ ‘En God, bestaat die ook niet echt?’ ‘God bestaat echt’, zei de moeder.

Zou het meisje dat nog geloven? En jij?
Juist daarom werd het Kerst. God laat onmiskenbaar zien dat Hij echt bestaat. Ga straks maar kijken in de stal van Betlehem. Je zult een Kind vinden in doeken gewikkeld met de naam Immanuel: God met ons.

Ds. Koos Staat