Leen Immerzeel staand in het midden bij A.V.V. Hercules. Foto’s aangeleverd

“Geliefde zoon, Daar het zaterdagavond is en ik alleen zit, zo zal ik u even schrijven en laat u dan weten dat wij door de zegen des heren nog bespaard zijn, ook met dit vreselijk weder van vrijdag. Er zijn zulke grote hagelstenen gevallen, als een duivenei (zo groot) en nog groter. Er is hier ook veel vernield. En nu hebben wij uw kaart ontvangen en daarin gezien dat u proeftijd al om is en dat u voornemen is om daar te blijven(…). Je past maar goed op, daar is zegen op te wachten.”

De brief van oma Immerzeel-Folmer

Zó schreef mijn oma aan haar zoon, mijn vader, in de zomer van 1927. Als 19-jarige jongen was hij uit Mijdrecht naar West-Friesland gereisd om daar als metaalarbeider aan de slag te gaan. Zijn proeftijd was dus nu voorbij, en zijn voornemen was het om ‘daar’ te blijven. ‘Daar’ was Andijk. En hij is er gebleven. Tot zijn overlijden.

Een paar jaar na zijn komst trouwde hij met zijn jeugdvriendin uit Mijdrecht. Samen vestigden ze zich in Andijk. Eerst aan de Hoekweg, later Broekoord, en weer later op Kleingouw. Het gezin had uiteindelijk vijf kinderen, waarvan ik als jongste.
Destijds heb ik daar nooit bij stilgestaan, maar ik realiseer me nu dat mijn ouders het in de beginjaren misschien moeilijk zullen hebben gehad, nog los van de economische crisis en los van de oorlog. Ze waren immers ‘import’, zoals we dat toen noemden, en dus voor velen geen échte Andijkers. Ze spraken geen Westfries, en hadden zelfs, ook na jaren, nauwelijks een Westfries accent. En dat scheelde nogal, in die tijd.
Misschien hielp echter, dat ze zich verder naadloos hebben aangepast aan de dorpscultuur met al zijn eigenheden. Mijn vader op de voetbalclub, en mijn moeder vooral in het kerkelijke leven.

Leen Immerzeel.

In de zomer van 1973 ben ík uit míjn dorp vertrokken, net als mijn vader op 19-jarige leeftijd. Ik kan me herinneren dat ik het moeilijk had, die eerste jaren in Amsterdam. Moest mezelf dwingen om niet tegen iedereen op straat ´Hoi´ te zeggen, en te doen alsof ik iedereen kende. Maar goed, ook míjn proeftijd was na enige tijd om, en het werd ook míjn ‘voornemen om daar te blijven’.

Inmiddels is bijna een halve eeuw verstreken. Ik heb meerdere verhuizingen achter de rug, en de leeftijd om terug te kijken. Zelfs al ik het niet wil, dan tóch wordt ik in mijn dromen achtervolgd door het verleden. En als mij nu gevraagd wordt wie ik ben, dan zeg ik mijn naam. Maar als me gevraagd wordt wát ik ben?

Dan ben ik een Andijker.

Bert Immerzeel (Spanje)