Sinds kort kunnen kerkgangers weer samenkomen in het kerkgebouw. Ik weet natuurlijk niet of jij wel eens naar een kerkdienst gaat, maar als je dat doet zal je snel opvallen dat kerkgangers gewone mensen, en bestaan uit vogels van allerlei pluimage. Het moet wel gek gaan, wil daar ook voor jou geen plaatsje zijn.

Ook afgelopen zondagmorgen zag ik ze weer zitten: gezellige huismussen, sierlijke zwanen, kwetterende eenden, fleurig geklede parkieten, de laatste nieuwtjes doorvertellende postduiven, noem maar op. Alleen de nachtegalen hadden het niet naar hun zin: zingen in de kerk doen we nog niet.

Hoe komen al die die vogels bij elkaar in de grote kooi van de kerk? Ja, dat is het unieke van de kerk. Daar zoek je elkaar niet uit, maar daar word je aan elkaar gegeven. In de kerk hoort iedereen er bij. Ook die mensen die jou misschien niet zo liggen. Het is net als in een gezin. Je broer mag je aardig vinden of niet, hij blijft je broer. In de kerk zijn we allemaal familie van elkaar omdat God onze hemelse Vader is.

Dat gaat natuurlijk wel eens verkeerd. Soms kakelt de één dat hij het zo wil en piept de ander dat het zus moet. Soms staan we als kemphanen tegen over elkaar: in plaats van zelf een veer te laten of de ander een veer op de hoed zetten, steken we als struisvogels de kop in het zand voor de belangen van een ander. Maar verrassend genoeg vaak gaat het goed. Ook al is ieder vogeltje anders gebekt – we willen samen God dienen.

Er kunnen trouwens nog vele vogels bij. Vlieg je eens binnen?

ds. Koos Staat